De vrouw die de wind temde
door: Irene Verdoorn
 
De vrouw keek naar een verte die ik niet kon zien. Met ogen die het wazige wit hadden van de ouderdom. Maar ook een onthechtheid van de wereld, alsof dat haar plaats niet meer was.
  ‘Ik moet het iemand vertellen,’ zei ze, ‘want anders weet niemand het meer.’
Ik twijfelde, haar stem was al zo zwak en fluisterend, had ze de energie nog wel?
Maar ze was al begonnen.
 
  ‘De wind, de wind die je hoort,’ zei ze zacht, ’is door mij getemd. Als ik hem niet tot bedaren had gebracht had hij een ramp aangericht.’
Hoe kon iemand nu de wind tot bedaren brengen, dacht ik, maar ik zweeg.
  ‘Geen van de winden die waait is tot bedaren gebracht, maar deze wind wel.’
Er blies een ijzige noordenwind die dag. Ik had hem getrotseerd op mijn weg naar haar toe. Mijn vingers en neus waren nog steeds bezig om weer warm te worden.
  ‘Laat me vertellen hoe het begon’ zei ze.
‘Eens in de oude tijd, toen de mannen en vrouwen nog verbonden waren, kon de wind geen vat op hen krijgen. De winden waaide uit het Noorden, Oosten Zuiden en Westen, en in hun eensgezindheid schiepen ze alles in evenwicht.
De wind in het Noorden bracht de liefde van de ouden, de geesten die waren overgegaan en die ons hielpen met het leven hier. De wind in het Zuiden bracht de kinderen, zodat elk kind wat geboren werd zuiver kon zien. De wind uit het Oosten bracht de vrouwen die hun haren lieten dansen. En de wind van het Westen bracht de mannen, die voor hen zorgden.
De onschuld, de liefde en de zuiverheid waren groot. De vrouwen wisten hoe ze evenwicht moesten brengen en maakten dat iedereen gezien werd zoals hij of zij was. Geen kind klaagde nood, omdat het volmaakt werd bemind. De mannen wisten zich de beschermers, op de manieren zoals alleen een man een beschermer kan zijn, namelijk als hoeder van het leven wat voorgang behoeft. En de ouderen waakten, en droegen zorg dat ieder aan zijn trekken kwam op spiritueel gebied. Ze vertelden de verhalen, zongen de oude liederen en maakte dat iedereen zich welkom voelde aan het vuur dat altijd brandende was. En de kinderen brachten vreugde en speelsheid, en vermaakten iedereen met hun spel en hun lach. Het leven was volmaakt in die tijd.’
  De oude vrouw zuchtte. En ik vroeg me ineens af hoe oud ze was. Waren dit soort verhalen wel van deze tijd, en waar dan? Ik kende geen plaats waar het zo was.
 
 ‘Toen kwam de eerst wind van onvrede. De wind die we zelf hadden gemaakt. Want de winden blazen nu eenmaal van nature in evenwicht, zodat er niets te vrezen valt. Maar de eerste wind van onvrede kwam door het on-geluk. Het on-geluk wat ons alle uit evenwicht bracht.’
Het werd even stil, alsof de herinnering te pijnlijk was.
  ‘Het on-geluk tussen de eerste man en vrouw.’ Ze slikte. ‘Het waren geliefden die elkaar gezworen hadden tot in de eeuwigheid te aanvaarden. Precies zoals elk van hen was. Maar de liefde, die aanvaardend is, hield halt. Ineens zag de vrouw de man niet meer en de man de vrouw niet andersom. Alsof er een waas voor hun ogen getrokken was. Ze gingen elkaar verwijten maken, wilden dingen van elkaar die de ander niet geven kon. Alsof de liefde nooit had bestaan. De winden probeerden het aanvankelijk te sussen. Zij hadden per slot de man en vrouw naar de aarde gebracht en hun schepping was volmaakt geweest. Maar er viel niets te sussen, het kwaad was al gedaan en niemand wist waarom het begonnen was. Het was zomaar ineens gebeurd. De man en vrouw groeiden uit elkaar. En met hen begonnen ineens de anderen te volgen. Niemand begreep elkaar meer. Alsof er plotseling een grote verwarring was, waardoor niemand meer wist wat hij of zij moest doen.
  De ouden zaten aan het vuur en keken toe. Zij wisten al dat dit gebeuren zou. Het was hun voorspeld. De aarde zou te lijden hebben om wat er tussen man en vrouw zou ontstaan. Het evenwicht zou verloren zijn. En de kinderen huilden omdat niemand van hen het begreep. Waarom praatten de vaders en moeders niet meer met elkaar?
  Het was het begin van zware tijden, van het ontstaan van de stormen en de orkaan. Winden van verwoesting gingen waaien over de aarde. Niemand begreep elkaar meer. Zelfs de mannen de mannen, en de vrouwen de vrouwen niet. Er was een grote spraakverwarring gekomen en niemand zag de liefde meer zoals zij eens was geweest.
Het heeft lang geduurd mijn kind.’
 De oude vrouw keek mij aan op een manier die me raakte tot in mijn ziel.
  ‘En daarom was het tijd om de wind tot bedaren te brengen mijn kind. En wij ouden zijn de eersten geweest. De wijsheid en de liefde kunnen weer worden hersteld.’
  ‘Maar,.... maar, zoiets kan toch niet?’ stamelde ik.
  ‘Natuurlijk wel,’ glimlachte de oude vrouw, ‘zo is het immers altijd geweest. De winden gehoorzamen ons, evenals wij gehoorzamen aan de wet.’
  ‘Welke wet?’
  ‘De wet die alles anders maakt op het moment dat het is bedoeld.’
  ‘En wat zegt die wet nu?’
  ‘Dat het tijd is om het weefsel te herstellen in de geest van de tijd. De geest van liefde en verbroedering voor elk mens, kind en dier. Niemand kan meer verder dan het nu is gegaan. De onmogelijkheid heeft zijn absolute dieptepunt bereikt. Daarom is het tijd dat de winden anders gaan waaien. Waaien zoals ze zijn bedoeld.’
 
Ze staarde uit het raam en wees mij de wolken die over het huis zwermden.
  ‘Zie je de wolken uit het noorden? Ze brengen ons liefde en wijsheid en evenwicht, omdat îk dat heb besteld.’
 
©2006 Irene Verdoorn, Hilversum, the Netherlands